| Historische scheepswerf Hoogezand: uniek in de regio |
| maandag 02 januari 2012 00:00 |
Interview met secretaris Johan Kielman Door Frits Colnot Jullie stichting tot behoud van de Historische scheepswerf Hoogezand bestaat inmiddels een jaar of 11 à 12, is het niet?
Klik hierop om naar het geluidsfragment te gaan. Ja. In 1999 is de stichting opgericht. Eigenlijk is Roel Wolthuis al sinds 1980 bezig van zijn scheepswerf een museum te maken. In dat jaar werd namelijk een laatste stukje Winschoterdiep dichtgegooid waardoor men er geen schepen meer voor de wal kon krijgen. Hij heeft toen al geprobeerd samen met het Veenkoloniaal museum een museale bestemming te geven aan de scheepswerf waarvan hij de laatste eigenaar was. Maar dat is toen niet gelukt. En het is de enige kleine scheepswerf die nog bestaat in de regio? Ja. Die werf ligt al wel 350 jaar op hetzelfde plekkie in min of meer de oude staat. Andere werven zijn verplaatst en gegroeid, maar de scheepswerf Wolthuis is in de staat van begin 1900 gebleven.
Foto: De werf Wolthuis in 1910. Is dat ook de reden dat het is aangewezen als rijksmonument? Ja. Dat vind je nergens meer. Het ‘machinepark’ is echt uniek en het werkt allemaal nog dankzij de gietijzeren eenvoud ervan. Het is begonnen met hout? Inderdaad. Omstreeks 1650. De geschiedenis van de scheepsvaart heeft natuurlijk alles te maken met de turfwinning in die tijd. Bij de Reductie van 1594 werd het katholieke geloof in de ban gedaan. De moerassige gronden die in bezit waren van de kloosters werden verbeurd verklaard en kwamen aan de protestants geworden stad Groningen. Met het groeien van de stedelijke bevolking nam de behoefte aan brandstof toe en bij gebrek aan hout kwam de veenontginning voor het winnen van turf op gang. Groningen begon met het graven van het Heerendiep (thans het Winschoterdiep) en de zuidelijk daarvan gelegen gronden werden verpacht aan zogeheten compagnieën: mensen met een hoop geld uit Groningen, maar ook bijvoorbeeld uit Utrecht, zagen brood in de turfwinning; zo heb je nog Borgercompagnie, Tripscompagnie. Omdat er in de te ontwateren veengebieden alleen vervoer via de talrijke waterwegen mogelijk was ontstonden er allerlei scheepswerven. De turf moest via Groningen op de markt worden gebracht, want Groningen had het stapelrecht en verdiende daar ook een paar centen aan. Om de dalgrond onder het afgegraven veen te bemesten werd het afval van ‘Stad’ als retourvracht meegenomen.
Foto: Werf 1930 tewaterlating tjalk. Van de schepen die werden gebruikt moeten we ons niet te veel voorstellen: denk maar aan de punters die in Giethoorn nog worden gebruikt: zo’n formaat ongeveer. Hier noemden ze het bijvoorbeeld tjasken. Maar ze moesten worden gebouwd en onderhouden. Vandaar de werven waarvan de Historische scheepswerf Hoogezand nog als enige over is. Van zo’n werfje moet je je niet al te veel voorstellen; er werkten misschien 3 à 4 mannen en dat was het dan. Maar toen het handelsverkeer naar ook naar Duitsland en de Scandinavische landen toenam moesten de schepen groter worden en de werven groeiden mee. Het begon met houten schepen, tot ongeveer 1900, toen deed het ijzer en later staal zijn intrede. De Historische scheepswerf Hoogezand (HsH) zat op een heel ongunstige plek om verder te groeien. Want de sluis bij Martenshoek vormde een bottleneck. Veel werven namen de sprong naar voorbij het knelpunt. De voorgangers van de werf Wolthuis hebben die sprong niet gemaakt en daarom is de oude staat behouden. De familie Wolthuis heeft wel de sprong naar Westerbroek gemaakt, naar de plek waar nu de werf Feris Smit ligt.
Foto: Werf 1955. Maar Wolthuis was de laatste eigenaar van de historische scheepswerf? Ja, maar het is thans in handen van het Monumentenfonds. Zij koopt, restaureert en exploiteert zo mogelijk monumenten als de HsH. De stichting waar Johan Kielman secretaris van is gaat overigens de HSH exploiteren. Wat zijn het voor mensen die aan de HsH zijn verbonden? De veelal oudere vrijwilligers hebben een technische achtergrond. Zij repareren bijvoorbeeld de machines en houden ze gaanbaar. De zeven à acht mannen die de scheepswerf restaureren zijn geen scheepsbouwers. Scheepsbouwers moeten nog worden gevonden, want men wil wel schepen gaan restaureren. Uitleg foto's : De scheepswerf met een hoogholtje, Dwarsdoorsnede van de helling, Een schip op de helling, Het klinken gebeurt nu met een pneumatische hamer. Er zijn wel mensen gevonden van in de zeventig/tachtig die nog op de ‘historische manier’ schepen hebben geklonken. Dat klinken gebeurde vroeger op een arbeidsintensieve manier: de vooraf doorboorde te klinken gaten van de ijzeren platen die aan elkaar geklonken moesten worden, werden aan de buitenzijde ‘gesouvereind’; dat wil zeggen geschuind, zodat de klink niet door het gat naar binnen kon schieten. De klink werd eerst roodgloeiend opgestookt en door de aangever naar het gat gebracht. Aan de binnenzijde stond de tegenhouder de klink tegen te houden met een zwaar stuk gereedschap. Aan de buitenzijde stonden twee mannen met voorhamers de klink om beurten plat te slaan. En het ging om duizenden klinken per schip. De verhalen van deze tachtigers zijn vastgelegd en gedocumenteerd, zodat latere generaties daarvan kunnen leren. Het komt nog steeds voor dat oude schepen worden geklonken voor wat betreft het gedeelte boven de waterlijn. Fotoreportage Historische Scheepswerf Hoogezand Fotograaf Arend Beukema van Seniorenkrant Groningen maakte een fotoreportage van de Historische Scheepswerf Hoogezand. Voor de geïnteresseerden: over de geschiedenis van de scheepsbouw in Groningen is een boek geschreven door historica Ingrid Wormgoor: Op de helling: Over hoe het reilde en zeilde op de Groninger scheepswerven. Zij is ook aan de HSH verbonden. Het bezoekerscentrum komt in januari a.s. aan de beurt en dan rest er nog 1 grote klus: de reparatie van de scheepshelling. Adres: Noorderstraat 308 te Sappemeer. Scheepswerf by seniorenkrant groningenNaar boven. |